De vier gouden competenties!

Voorbeeld

Vier gouden competenties waar iedereen aan kan voldoen

In het voetbal zijn er eindeloos veel dingen waar je als trainer op kunt letten. Techniek, inzicht, fysiek, tactiek, spelintelligentie… de lijst is lang. Je kunt het daar met elkaar over hebben, erover discussiëren en van mening verschillen of we links- of rechtsom moeten.

Toch zijn er ook vier competenties die niet onderhandelbaar zijn. Eigenschappen waarvoor je geen uitzonderlijk voetbaltalent nodig hebt, maar die wél bepalend zijn voor het functioneren van een speler op elk niveau.

Dit zijn geen ‘extra’s’. Dit is de basis om überhaupt te kunnen functioneren tijdens trainingen en wedstrijden.

1. Bijdrage leveren aan alle teamfuncties

Aanvallen, verdedigen, omschakelen na balverlies en na balwinst: iedereen doet mee.

Een speler is niet alleen ‘aanvaller’ of ‘verdediger’. In voetbalacties wisselen rollen continu. Wie zich onttrekt aan één van de teamfuncties, belast automatisch zijn medespelers.

Let als trainer op:

  • Hoe reageert een speler na balverlies?

  • Doet hij mee in het drukzetten, of haakt hij af?

  • Is hij ook beschikbaar in balbezit, zonder bal?

Dit is geen tactische luxe, maar een mentaliteit. Je kunt hier elke training op sturen, ongeacht de oefenvorm. Kortom: je moet rennen.

2. Initiatief nemen: vragen om de bal

Zien is doen. Lef tonen.

Voetbal wordt gespeeld door spelers die durven. Die lef tonen. Niet wachten tot je wordt aangespeeld, maar:

  • loskomen

  • oogcontact maken

  • een oplossing aanbieden

Initiatief nemen is geen karaktertrek waar je mee geboren wordt. Het is gedrag dat je kunt trainen en stimuleren.

Als trainer heb je hier veel invloed:

  • Reageer positief op initiatief, ook als het fout gaat

  • Corrigeer passief gedrag

  • Stel vragen: “Waarom liet je dit lopen?”

Spelers die leren initiatief te nemen, ontwikkelen vanzelf meer zelfvertrouwen en spelinzicht.
Kortom: je moet rennen. 

3. Onverstoorbaar zijn

Niet af laten leiden door randzaken.

Scheidsrechters, tegenstanders, ouders langs de lijn, een foutmoment, een gemiste kans. Het voetbal zit vol afleiding. De vraag is niet óf het gebeurt, maar: hoe snel is een speler weer bij de volgende actie?

Onverstoorbaarheid betekent:

  • focus houden

  • emoties reguleren

  • doorgaan na tegenslag

Voor trainers:

  • Coach op gedrag ná een fout, niet alleen op de fout zelf

  • Benoem wat je ziet: “Je was boos, maar je herpakte je snel.”

  • Maak duidelijk dat randzaken geen excuus zijn. Gas geven.
    Kortom: je moet rennen.

4. Werken met beide voeten

Niet omdat iedereen tweebenig móét worden, maar omdat voetbal dat vraagt.

Een speler die alleen op zijn voorkeursbeen kan handelen, beperkt:

  • zichzelf

  • zijn team

  • het tempo van een aanval

Werken met beide voeten gaat niet alleen over passen of schieten, maar vooral over:

  • aannames

  • open draaien

  • oplossingen zien aan beide kanten

Belangrijk voor trainers:

  • Beloon het gebruik van het zwakkere been, ook als het mislukt

  • Corrigeer niet alleen op uitvoering, maar juist op de keuze

Het gaat niet om perfectie, maar om bereidheid.

Tot slot

Deze vier competenties zijn niet afhankelijk van talent, leeftijd of niveau. Ze zijn trainbaar, coachbaar en zichtbaar elke training weer.

Als trainer heb je een enorme invloed op wat je normaal vindt:

  • Wat beloon je?

  • Waar grijp je op in?

  • Wat laat je lopen?

Mijn wens is simpel:
Dat elke trainer deze punten kent, ze herkent en er consequent naar handelt. Want wie hier structureel op stuurt, ontwikkelt niet alleen betere voetballers, maar vooral completere spelers én een beter team.

Als we het samenvatten in één zin: Je moet gewoon rennen.

Lars van Halteren

 

Vorige
Vorige

Het managen van de oudergroep

Volgende
Volgende

De overstap van klein veld naar groot veld