week 1 training 1 o7-o8

Oefening 1: Dribbelen in een vierkant

UITLEG VAN DE OEFENING:

Alle kinderen krijgen een bal en gaan staan in het vak. Op signaal van de trainer mogen de spelers door elkaar heen dribbelen met de bal. Er mogen natuurlijk geen botsingen gebeuren. Als de trainer een nummer roept, bijvoorbeeld nummer 1, moeten de spelers de bal zo snel mogelijk stil leggen.

Nummer 1 =  Voet op de bal.

Nummer 2 = Zitten op de bal.

Nummer 3 = Knie op de bal.

MAKKELIJKER MAKEN

- Het veld vergroten.

- De bal stoppen met de handen.

MOEILIJKER MAKEN

- Het veld verkleinen.

- Voeg nummer 4 en 5 toe met een daar bijhorende actie.

TIP VOOR DE TRAINER:

- Het gaat om de dribbel, leg daar vooral de nadruk op.

- Wees actief en duidelijk.

- Geef veel complimenten. Dit stimuleert de kinderen om nog beter hun best te doen.

- Laat aan de hand van een voorbeeld zien hoe de dribbel eruit moet zien.

- Wees kort van stof. Laat de kinderen zo snel mogelijk starten met de oefening.

- Vertel alles in de vorm van een verhaal. Zo vinden de kinderen het nog leuker en begrijpen zij de oefening sneller.

TIP VOOR DE SPELER:

DE DRIBBEL

- Gebruik 'zachte voetjes' tijdens het dribbelen (week 1).

- Raak elke stap de bal om de bal dicht bij je te houden (week 1).

- Raak de bal op je kleine teen tijdens het dribbelen (week 1).

- Wijs met de tenen naar het gras tijdens het dribbelen (week 2).

- Kijk tijdens het dribbelen naar de bal en naar voren om alles te kunnen zien (week 3).

Oefening 2: Oversteekspel

UITLEG VAN DE OEFENING:

Alle kinderen hebben een bal en dribbelen naar de andere witte lijn. Als ze daar zijn aangekomen moeten ze de bal proberen stil te leggen op die witte lijn. Als dat gelukt is hebben ze een punt. Hier kan je uiteindelijk ook een wedstrijdje van maken. De manieren om de bal stil te leggen zijn hetzelfde als in de vorige oefening:

Nummer 1 = Voet op de bal.

Nummer 2 = Zitten op de bal.

Nummer 3 = Knie op de bal.

Makkelijker maken
- Gebruik geen lijn, maar maak een strookje die wat breder is. Dat vergroot de succesbeleving.

- Laat ze heel langzaam naar de overkant dribbelen.

MOEILIJKER MAKEN

- Voeg tijdsdruk toe

- Maak het veld groter

TIP VOOR DE TRAINER:

- Wees actief en duidelijk. Geef ondertussen tips aan de kinderen over het dribbelen.

- Geef veel complimenten. Dit stimuleert de kinderen om nog beter hun best te doen.

- Laat aan de hand van een voorbeeld zien hoe de dribbel eruit moet zien.

- Wees kort van stof. Laat de kinderen zo snel mogelijk starten met de oefening.

- Vertel alles in de vorm van een verhaal. Zo vinden de kinderen het nog leuker en begrijpen zij de oefening sneller.

TIPS VOOR DE SPELER:

- Raak elke stap de bal om de bal dicht bij je te houden (week 1).

- Raak de bal op je kleine teen tijdens het dribbelen (week 1).

- Wijs met de tenen naar het gras tijdens het dribbelen (week 2).

- Kijk tijdens het dribbelen naar de bal en naar voren om alles te kunnen zien (week 3).

Oefening 3: Doelschieten

UITLEG VAN DE OEFENING:

Op signaal van de trainer mogen beide spelers (één van rood en één van blauw) zo snel mogelijk om de rode pion heen dribbelen en op doel schieten. Wie dat als eerste lukt heeft een punt verdiend voor zijn team. Schieten beide spelers mis? Helaas geen extra punt! Speel eerst een paar beurten zonder wedstrijd om de kinderen het spel te laten zien en om te oefenen. Spelers mogen zelf kiezen vanaf welke afstand ze schieten. Schiet je van verder weg? Dan ben je sneller, maar loop je meer risico op een misser. Schiet je van dichterbij? Dan is de kans op een doelpunt het grootst, maar je neemt wel veel extra tijd. Waar kies je voor?

MAKKELIJKER MAKEN

- Verklein de afstand naar het doel

MOEILIJKER MAKEN

- De bal mag niet stil liggen bij het schieten

- Je punt telt alleen als je op je benen bent blijven staan bij het schieten

Tips voor de trainer:

- Zorg voor een hoog tempo. Neem een fluitje mee als startsignaal.

- Wees kort van stof. Laat de kinderen zo snel mogelijk starten met de oefening.

-Zet de kinderen vast in de organisatie en leg dan de vorm uit d.m.v een rollende bal

TIPS VOOR DE SPELERS:

- Raak elke stap de bal om de bal dicht bij je te houden (week 1).

- Raak de bal op je kleine teen tijdens het dribbelen (week 1).

- Wijs met de tenen naar het gras tijdens het dribbelen (week 2).

- Kijk tijdens het dribbelen naar de bal en naar voren om alles te kunnen zien (week 3).

Het schot

- Raak de bal op je veters (week 1).

- Blijf op je benen staan als je schiet (week 1).

- Zwaai je been hard door als je de bal hebt geraakt (week 2+3).

Oefening 4: Partijvorm

UITLEG VAN DE OEFENING:

Er wordt een partijspel gespeeld met Koning van de Assist. Bij elke uitbal speelt de trainer een nieuwe bal het veld in om het tempo hoog te houden.

TIPS VOOR DE TRAINER:

- Beloon de spelers die actief vrijlopen en omschakelen

- Coach op het technische aspect van de dribbel

TIPS VOOR DE SPELER:

- Loop vrij naar de ruimte

- Dribbel naar de vrije ruimte

- Kijk over de bal waar de ruimte is